Nieuws

26 juli 2021 • Jos van Kuijeren

Wieger Mensonides: Een wereld van verschil, medaille 60 jaar geleden en nu

Drie medaillewinnaars in Rome 1960 Wieger Mensonides (midden) met Marianne Heemskerk (links) en Tineke Lagerberg.Swimjos Archief

Een Olympische medaille op de schoolslag. Het leek lang ondenkbaar, maar Arno Kamminga maakte in Tokio zijn status als nummer twee op de wereldranglijst van dit jaar helemaal waar. Hij werd daarmee na Pieter van den Hoogenband in 2000 en 2004 de derde Nederlander met een Olympische zwemmedaille. De eerste in een zwembad was Wieger Mensonides, die brons won in Rome 1960.
Pas een twee jaar vóór de Olympische Spelen begon de Hagenaar serieus met trainen. Maar goed genoeg voor de EK in Boedapest was hij niet, zo oordeelde de selectiecommissie. .


Een jaar later stond de TH-student in Rome in de Olympische finale op de 200 meter schoolslag. Voor Nederlandse begrippen al een sensatie op zich, omdat hij na Bob Bonte in 1948 (ook op de 200 meter schoolslag) de tweede Nederlandse zwemmer was, die tot de laatste acht wist door te dringen.

Geen clubtrainer of bondscoach

Terugblikkend is het meest bijzondere dat hij zover kwam de afwezigheid van zijn trainer in de Olympisch arena. “Ik trainde bij ZIAN in den Haag bij Cor Scheele, maar hij mocht niet mee naar Rome. Niemand had een eigen trainer mee. Er was niet eens een bondscoach. Aan echte voorbereiding deden we niet, alleen heb ik erg veel gerust. Mijn begeleider was, meen ik iemand van het bondsbureau. (Jaap Buiskool, JVK). Voor de finale vroeg hij aan mij: “Wat is je strategie?” Ik wist niet beter te antwoorden dan “gewoon hard zwemmen”. Hij wist het verder ook niet.”

Een finale zwemmen

Mensonides beschreef zijn gevoelens voor de race later in ‘De Zwemkroniek’:

“Je stapt de arena binnen en 20.000 toeschouwers kijken naar jou en je tegenstanders. En dan komt het erop aan, moet je enkel en alleen met je zwemmen bezig zijn en de rest buitensluiten. Alles richten op dat ene moment, waarin je goed mogelijk wilt presteren. Je voelt je beroerd en belazerd, maar je weet dat je het kunt. Je gaat meer adrenaline produceren uit een soort angstreactie. En dat heb je nodig om in korte tijd te kunnen spetteren.”

Op het moment van aantikken in de finale van de 200 meter schoolslag wist Mensonides dat alle inspanningen niet tevergeefs waren geweest en dat hij het had geflikt. Als eerste Nederlandse zwemmer een Olympische medaille bemachtigen.


Het fenomeen bestond toen nauwelijks, anders was de zwemmer, die pas als 17-jarige zijn eerste trainingsbaantjes trok in de Haagse Regentes, tot “bekende Nederlander” uitgeroepen. Nu bleef het bij wat extra journalistieke aandacht, want alleen in het Stadio del Nuoto werd Nederlands eremetaal uit het water gevist.


Trainen tussen publiek

Olympisch medaillewinnaar. Eigenlijk kon dat niet, want Mensonides trainde in de wintermaanden tussen het publiek en deed dat drie keer per week hoogstens 35 minuten! Bovendien was de zomer van 1960 niet de allermooiste, waardoor het onverwarmde water van het Zuiderparkbad ijskoud bleef. “De trainingsintensiteit en het vermogen mij volledig te concentreren hadden misschien wel meer effect, dan de urenlange trainingssessies waar het later om ging,” verklaarde Mensonides. En over mijn strategie in de finale? “Vooral niet te snel van start gaan, bij de tweede baan iets aanzetten en iets overhouden voor de laatste vijftig meter”. Zoveel had ik niet getraind in die laatste weken!”

Deel dit artikel